Legende van de Vliegende Hollander

door Edwin Hamelink 

’Terneuzen, stad van de Vliegende Hollander’. Deze slogan kreeg Terneuzen rond 1984 bij de herdenking van vierhonderd jaar stadsrechten. Nu probeert men met dit thema het winkelhart van Terneuzen weer aantrekkelijk te maken door alles in het teken te stellen van de bekende Terneuzense kapitein Van der Decken. Maar wat was nu eigenlijk ’De Vliegende Hollander’ met zijn mysterieuze kapitein Willem van der Decken ? 

600_willy_de_meijer_als_kapitein_van_der_decken.jpgIn vroeger jaren waren onder zeelui diverse verhalen en legenden bekend over zeemonsters en spookschepen. Een van deze spookschepen was die van kapitein Willem van der Decken. De legende van de ’Vliegende Hollander’ is vooral bekend geworden vanwege de opera, die Wagner heeft geschreven. De Vliegende Hollander komt in de vaderlandse literatuur en dichtkunst vele malen voor. 

Het verhaal van de Vliegende Hollander is in diverse bewerkingen bekend en speelt zich af in de zeventiende eeuw. Voor het eerst wordt Van der Decken als kapitein van het spookschip genoemd in het Schots tijdschrift "Blackwoord’s Edinburgh Magazine" van mei 1821. Over Terneuzen wordt dan nog niet gesproken.

De eerste die Terneuzen als thuishaven van Van der Decken noemt, is de destijds bekende auteur en zee-officier Frederick Marryat (1792-1848). Hij schreef in 1839 de roman ’The Phantom Ship’. Volgens overlevering zou het gebouw dat thans als Grieks restaurant aan de Havenstraat in gebruik is het woonhuis zijn geweest van Van der Decken. Na het vertrek van Willem van der Decken naar zee verhuisden zijn vrouw en zoon naar een klein huisje net buiten de vesting Terneuzen. Dit huisje was voorzien van een fel oranje geschilderde gevel, met vensters en luiken in het groen. Tot ongeveer een meter boven de grond waren tegen de gevel afwisselend blauwe en witte tegels aangebracht. Volgens het boek The Phantom Ship speelt het verhaal zich af in het 17e eeuwse Katholieke dorpje “Terneuse”. De verhaallijn van The Phantom Ship is als volgt:

Op haar sterfbed verteld Catherine, de vrouw van kapitein VanderDecken aan haar zoon Philip wat er met zijn vader is gebeurd. Zeventien jaar geleden verscheen Willem VanderDecken als spookgedaante bij haar. Hij verteld dat hij niet dood is, maar ook niet meer in het land van de levenden is. Hij heeft geprobeerd om 2 x 9 weken rond de Kaap de varen. Zijn bemanning smeekte hem terug te keren naar de Tafelbaai, maar dat weigerde hij. De opstandige bemanning weet kapitein VanderDecken vast te binden. Toen de stuurman de kraag van VanderDecken probeerde te pakken, werd hij door VanderDecken geslagen, hierdoor struikelde hij en viel hij van boord en verdronk. VanderDecken zat vol met woedde en “zwoer bij den splinter van het Heilig Kruis” dat hij om de Kaap zou varen, "ten spijt van storm en hooge zeeën, van de bliksems des hemels, of der hel, als zou ik ook tot den dag des oordeels daartegen worstelen". Het splinter bevond zich in een medaillon om de hals van zijn vrouw Catherine. 
De kamer waarin Willem aan zijn vrouw was verschenen werd vervolgens door Catherina afgesloten. 
Sindsdien zwerft het spookschip tegen de wind in over de wereldzeeën. De bemanning is dood en verricht zwijgend haar taken, zonder antwoord te geven aan de kapitein. Kapitein Van der Decken moest blijven leven. Hij staat aan het roer en brengt ongeluk en verderf      aan ieder schip dat hij tegenkomt.
Nadat Philip’s moeder sterft gaat hij naar Amsterdam en monstert aan op een van de schepen en gaat op zoek naar zijn vader. Uiteindelijk lukt het hem om zijn vader te vinden en de vloek te verbreken.

In andere bewerkingen van de legende zou de spookkapitein zijn uitgevaren op paasmorgen. Er zijn ook versies bekend waarin hij eens in de zeven jaar aan land gaat om op zoek te gaan naar een vrouw.
Het pand in de Noordstraat (nummer 68) waar Jola Mode in gevestigd is, zou volgens overlevering het geboortehuis van Van der Decken zijn geweest. Rond 1930 was nog bekend dat het spookte in het geboortehuis. Het pand, dat in de negentiende eeuw ook nog door officieren van het garnizoen werd bewoond, werd ’s nachts geteisterd door een hels lawaai in de kelders en op zolder.


Waarom Marryat Terneuzen thuishaven van Van der Decken noemt is niet bekend. In 1834 en 1835 heeft hij korte tijd in Brussel en Antwerpen gewoond. Terneuzen kwam toen meer dan eens in het nieuws in verband met de aanleg van het kanaal van Gent naar Terneuzen in de periode 1825-1827 en omstreeks 1835 werd Terneuzen versterkt tot vesting ten gevolge van de Belgische opstand. De roman die Marryat schreef is waarschijnlijk niet meer dan een verzinsel, gekoppeld aan reeds bestaande verhalen over spookschepen. In ieder geval zit zijn verhaal vol onjuistheden en vreemde zaken. Zo kan Terneuzen nooit de thuishaven van een groot Oost-Indiëschip zijn geweest. Terneuzen was in de zeventiende eeuw immers niet meer dan een klein vissershaventje. De haven lag op de plaats van de huidige Markt en was zo klein dat deze met een boom kon worden afgesloten. Rond 1580 sluit Leunis de Clerck elke avond de haven af met een boom. In de zeventiende eeuw had een sluiswachter tot taak ervoor te zorgen dat de kade niet werd beschadigd door schepen die niet van plan waren het zeil te strijken bij het binnenvaren van de haven. Toen de kade vervallen was, moesten de mosselschuiten twee gulden heffing betalen om de kade te kunnen repareren. Nog in 1705 was er sprake van groot verval van de stadskaaien. Het is ondenkbaar dat van hieruit in die tijd een middelgroot, oceaangereed Oost-Indiëschip met drie masten, twintig stukken geschut, zeventig man aan boord, veertig meter lang en zo’n tien meter breed, is vertrokken. Terneuzen werd pas echt een havenstad nadat het kanaal van Gent naar Terneuzen was gegraven in 1825. In de tijd waarin de legende zich afspeelt, kon zo’n schip niet verder komen dan de rede voor Terneuzen. Van der Decken kon dan met een sloep naar de haven roeien.

Marryat gebruikte waarschijnlijk als basis voor zijn roman een Engels verhaal. De benaming van de Vliegende Hallander is een verkeerde vertaling uit het oude Engels. In Engeland was de sage bekend onder de naam ’The Flying Dutchman’. ’Flying’ kan hier ook ’vluchten’ betekenen. Dus in het Nederlands ’De Vluchtende Hollander’. Aangezien schepen niet kunnen vliegen, komt deze vertaling beter in de richting, hoe triest het ook mag zijn. Bij mijn onderzoek naar de Napoleontische kustbatterij in de Margarethapolder stuitte ik op het boek “Life and letters of Captain Marryat” door Florence Marryat. Uit dit boek blijkt dat Frederick Marryat aan boord was van het Engelse fregat “Imperieuse” dat op 16 augustus 1809, bij de Engelse inval op de Westerschelde, de kustbatterij in de Margarethapolder, bij “Terneuse” heeft beschoten. Mogelijk is dit van invloed geweest op het verhaal van de Vliegende Hollander.

Vanaf 1935 is er in Terneuzen hernieuwde belangstelling voor de legende van De Vliegende Hollander. Dit komt hoofdzakelijk door Arie Littooij, een uitgever die een boekje maakte over de sage.

Of de sage nu wel of niet aan Terneuzen toebehoort, het is zeker een goed promotiemiddel, Hulst heeft ’Reynaert de Vos’, Axel z’n ’Erpelkapper’, Sas van Gent de ’Schepentrekker’. En Terneuzen de ’Vliegende Hollander’. 
Op 11 mei 1972 werd het door de heer P. Griep ontworpen monument voor de Vliegende Hollander aan het water tussen Herengracht en Rosegracht onthuld. Bij deze plechtigheid werd door Marie Cecile Moerdijk een nieuw lied geïntroduceerd, het lied van de Vliegende Hollander. Dit lied was geschreven door Dr. Tjaard de Haan. 
Ruim zestig jaar voordat Marryat de sage optekende, bracht Terneuzen twee echte bekende kaperkapiteins voort, dit waren Ghyslain du Plessis en Nicolaas Jarry. Jammer genoeg is de bekendheid van deze mensen verdrongen door spookkapitein Willem van der Decken.